27 September: Een volgende stap in onze beschaving

De afgelopen twee jaar crowdfunde de stichting MIES voor twee mensen de eerste basisinkomens van Nederland. Daarvoor heeft STCHTNG WRKLST vanaf 2007 al 4 mensen aan een jaar basisinkomen geholpen. Sympathiek, maar moeilijk schaalbaar, zou je zeggen. Maar hetzelfde werd gezegd over broodfondsen, waarin kleine groepen mensen elkaars arbeidsongeschiktheidsverzekering zijn – totdat de Utrechtse “social enterprise” CommonEasy een online broodfonds-in-het-kwadraat startte. Zou zoiets ook kunnen met een basisinkomen, of een inkomensverzekering? We willen dit onderzoeken door een gedachtenexperiment op micro-niveau: onder welke voorwaarden zou jij aan zoiets meedoen?

  • Het Grootste Kennisfestival van Noord Nederland
  • 27 september 2017
  • Moderatie: Ronald Mulder, stichting MIES
  • Met medewerking van:
    • Frans Kerver (eerste Nederlander met een basisinkomen)
    • Jip de Ridder (oprichter CommonEasy)
    • Jeroen Doensen
    • Engbert Breuker (of iemand anders) van STCHTNG WRKLST

Uitreiking Tweede Basisinkomen Nederland
 door Liesbeth van Tongeren (Groen Links, Tweede Kamer)


Op dinsdag 31 mei zal Liesbeth van Tongeren om 13.00 uur het tweede Basisinkomen in Nederland symbolisch overhandigen aan Anne van Dalen, bij het standbeeld van Willem van Oranje op het Plein, naast het Binnenhof in Den Haag.

Anne van Dalen is kunstenares en is bij loting uit de hoed getrokken als ontvanger van het tweede gecrowdfunde basisinkomen, een burgerinitiatief van de stichting MIES uit Groningen. Vanaf 1 juni ontvangt zij een jaar lang 1000 euro per maand, zonder voorwaarden. Anne is daarmee de Eerste Vrouw in Nederland met een Basisinkomen.  Ze sprong een gat in de lucht: “Nu kan ik wel verhuizen naar een plek, waar ik me vrij voel”, waren haar eerste woorden.

Liesbeth van Tongeren vertegenwoordigt Groen Links in de Tweede Kamer. Als  woordvoerder economische zaken ziet zij ook dat werk & inkomen onder druk komen te staan. Een snel veranderende, nieuwe economie vraagt om een stelsel van sociale zekerheid, dat daarbij aansluit. Het basisinkomen biedt mogelijk oplossingen voor onderlinge solidariteit en inkomenszekerheid. Uitproberen en onderzoeken dus. Reden waarom ze het initiatief van MIES een warm hart toedraagt.

Wereldwijde opmars Basisinkomen

Het initiatief van MIES staat niet op zichzelf. Johan Luijendijk behaalde in april de benodigde 40.000 handtekeningen, waarmee het burgerinitiatief het basisinkomen op de agenda van de Tweede Kamer heeft gezet. Zijn petitie werd breed ondersteund door een dertigtal prominente Nederlanders, waaronder Jan Terlouw, Rutger Bregman, Jan Rotmans, George van Houts, Jos de Blok en Bram van Ojik (zie: https://basisinkomen2018.nl/.  Zwitserland houdt op 5 juni 2016 een referendum over een landelijk ingevoerd basisinkomen. Finland start in november 2016 met een proef onder 100.000 inwoners.  GiveDirectly, dat al jaren gelooft dat geld geven de oplossing is voor armoe, start een grootschalig en langdurig experiment in Kenya. Tien van de benodigde dertig miljoen dollar hebben ze zelf al in het project gestoken (zie: https://www.givedirectly.org/).

OnsBasisinkomen

Meer dan 2000 mensen hebben via de website van OnsBasisinkomen antwoord gegeven op de centrale vraag  ‘Wat zou jij doen met een basisinkomen? ’.  Joop Roebroek van MIES heeft de eerste 600 antwoorden wetenschappelijk geanalyseerd en gecategoriseerd. De angst dat mensen er lui van worden, vinden we hierin niet terug.

Vind je het onvoorwaardelijk basisinkomen een ingewikkeld idee? Kijk deze explanimation

Vind je het onvoorwaardelijk basisinkomen een ingewikkeld idee? Sebas van den Brink maakte voor ons deze prachtige explanimation. In anderhalve minuut zie je waarom wij het basisinkomen een interessant idee vinden dat de moeite waard is om nader te onderzoeken:

Dit gaan mensen doen wanneer ze een basisinkomen krijgen

Een van de belangrijkste thema’s rond het basisinkomen heeft betrekking op de vraag wat mensen die een basisinkomen krijgen vervolgens gaan doen. Gaan zijn minder betaald werken, lui op de bank hangen, vrijwilligerswerk doen, mantelzorg verrichten, meer met hun kinderen ondernemen, weer studeren? En daar bestaan allerlei beelden bij, worden velerlei theorieën op los gelaten. Maar echt weten wat er gebeurt, doen wij niet.

Of beter, ‘deden wij niet’. Daar is sedert begin april verandering in gekomen. Op 12 april 2015 hebben wij als MIES (Maatschappij tot innovatie van economie en samenleving) het experiment ‘OnsBasisinkomen’ gelanceerd. Individuele Nederlanders worden via het experiment uitgenodigd zich te melden voor een basisinkomen en gevraagd op de website van OnsBasisinkomen de vraag te beantwoorden: ‘Wat zou je doen wanneer je morgen een basisinkomen krijgt?’. Op 1 december 2015 hebben inmiddels meer dan 1800 Nederlanders deze vraag beantwoord. In een geval met een enkele woord – ‘Leven!’ –, soms met een korte aanduiding, maar vaak ook met uitvoerig verhaal.

Op basis van de eerste 600 verhalen zijn de antwoorden van de deelnemers aan OnsBasisinkomen nader geanalyseerd. Hieronder treffen jullie een korte publieksversie van de bevindingen aan. Wie kennis wil nemen van de diepliggende analyses en precieze cijfers kan het uitgebreide artikel raadplegen.

Download de korte versie

Download de volledige versie

doneervoorhetderdebasisinkomen

Inleiding

Nooit eerder in de afgelopen decennia stond het basisinkomen zo prominent op de maatschappelijke agenda. Anders dan voorheen is het niet langer een debat dat louter op basis van al dan niet wetenschappelijk gefundeerde argumenten gevoerd. In een aantal gemeenten worden zelfs al voorbereidingen getroffen om op experimentele basis een aantal hoofdkenmerken van het basisinkomen te gaan onderzoeken. Dat betreft voornamelijk het hanteren van een aantal vrijheidsgraden binnen de Participatiewet, zoals de mogelijkheid tot bijverdienen en het opheffen van de sollicitatieplicht.

In dat kader spitst de discussie zich vooral toe op de vraag welke gevolgen die vrijheidsgraden hebben voor het arbeidsmarktgedrag van burgers. De meningen staan daarbij vrijwel loodrecht tegenover elkaar. Enerzijds de bewering dat burgers – en vooral burgers met een bijstandsuitkering – meer ruimte krijgen om op basis van eigen verantwoordelijkheid, ambitie en drive maatschappelijk actief te worden, en niet langer opgesloten te zitten binnen de beperkingen van de wet. Anderzijds wordt betoogd dat een basisinkomen leidt tot minder prikkels om maatschappelijk actief te zijn, met als gevolg luiheid en inactiviteit.  Die discussie berust in het gunstigste geval grotendeels op theoretische aannames van wetenschappers, en meestal op louter ideologische vooronderstellingen van voor- en tegenstanders van een basisinkomen. Er is nog maar weinig bekend over de opvattingen van burgers die de wens hebben een basisinkomen te ontvangen.

Onsbasisinkomen.nl onderzoek

Daar is sedert begin april verandering in gekomen. Op 12 april 2015 lanceert MIES (Maatschappij tot innovatie van economie en samenleving) het experiment ‘OnsBasisinkomen’. Het experiment heeft tot doel door middel van crowd-funding voor individuele Nederlanders voor een jaar een basisinkomen van 12.000 euro te realiseren. Het eerste Nederlands basisinkomen wordt in juni 2015 binnengehaald. Vanaf dat moment start de funding voor een volgend basisinkomen. Individuele Nederlanders worden via het experiment uitgenodigd zich te melden voor een basisinkomen en gevraagd op de website van OnsBasisinkomen de vraag te beantwoorden: ‘Wat zou je doen wanneer je morgen een basisinkomen krijgt?’. Op 1 november 2015 hebben inmiddels meer dan 1800 Nederlanders deze vraag beantwoord. In een geval met een enkele woord – ‘Leven!’ –, soms met een korte aanduiding, maar vaak ook met uitvoerig verhaal.

NB – Het project loopt nog steeds. Op de website van OnsBasisinkomen kunt u zich aanmelden en/of kunt u geld doneren om het volgende basisinkomen mogelijk te maken.

600 verhalen, 28 intenties, vier categorieën

Op basis van de eerste 600 verhalen zijn de antwoorden van de deelnemers aan OnsBasisinkomen nader geanalyseerd. Om te beginnen heeft een inhoudsanalyse van alle 600 verhalen geresulteerd in een lange lijst van exacte quotes waarin burgers hun antwoorden, in de vorm van specifieke gedragsintenties hebben neergeschreven. Deze lijst is vervolgens terug gebracht tot 28 intenties, waarvan de omschrijving dicht blijft bij de beelden die de respondenten zelf gebruikten. Vervolgens zijn 27 van deze 28 intenties nog eens ondergebracht in vier hoofdcategorieën – ‘werken en activiteiten’, ‘zekerheid en financiën’, ‘persoonlijke ontwikkeling’ en ‘zonder zorgen en stress’. De overgebleven categorie, ‘gewoon zo verder’, verwijst naar de stelling dat er verder niet veel gaat veranderen. Vervolgens is op basis van deze categorieën een kwantitatieve analyse uitgevoerd. Alle 600 verhalen zijn minutieus doorgenomen op gerapporteerde gedragsintenties en deze intenties zijn vervolgens op basis de 28 categorieën geteld. Dat leverde uiteindelijk 976 intenties op – soms wordt meer dan één intentie in de betreffende verhalen gemeld.

Twee kanttekeningen

Alvorens nader op de resultaten van de analyse in te gaan, is het goed twee kanttekeningen te plaatsen. De eerste betreft de vraag naar de relatie tussen de gedragsintenties en daadwerkelijk gedrag van burgers. In de sociaal psychologische literatuur vormen gedragsintenties en de relatie tussen gedragsintenties en daadwerkelijk gedrag een belangrijk onderzoeksthema. De centrale conclusie ter zake luidt: mensen doen wat zijn van plan zijn te doen en doen niet wat zij niet van plan zijn te doen. En als verbijzondering wordt daarbij opgemerkt dat die relatie sterker is naarmate burgers zelf meer controle hebben op die relatie – een gegeven dat in het geval van het basisinkomen een belangrijke positieve factor vormt. De tweede kanttekening betreft de nadere omschrijving van de populatie waarop deze analyse is gebaseerd. Het zijn burgers die zich zelf hebben aangemeld, hetgeen op de volgende factoren tot een zekere autoselectie leidt: kennis van en belangstelling voor ons project, eerder voorstander dan tegenstander van een basisinkomen, toegang tot internet, en waarschijnlijk ook een geografische bias in die zin dat het project vooral in het Noorden van het land meer media-aandacht heeft gekregen dan elders in het land. Interessant is de vraag welke rol sociaaleconomische status heeft gespeeld. Daar komen meerdere factoren samen. Enerzijds mag worden aangenomen dat eerder hoger opgeleide burgers kennis nemen van het project, maar daar staat tegenover dat burgers met een zwakkere sociaaleconomische positie relatief meer baat hebben bij een basisinkomen. Ook op basis van het grondig analyseren van de 600 verhalen lijkt de tweede factor sterker door te klinken dan de eerste.

Uitkomsten van de analyse

De globale verdeling van gedragsintenties in termen van personen geeft het volgende beeld te zien. Een kleine groep burgers (6,7%) geeft aan dat zij gewoon verder gaan met hun leven zonder dat zij expliciete gedragsveranderingen verwachten. Iets meer dan driekwart (77,2%) van de burgers meldt dat zij op basis van het verkrijgen van een basisinkomen van plan zijn veranderingen aan te brengen in hun werken en activiteiten. Daarbij vormen zes categorieën de kern van de betreffende intenties. Om te beginnen is daar de categorie ‘minder gaan werken’. Ongeveer 10 procent (10,2%) van alle burgers geeft aan minder te willen gaan werken. De gedragsintenties van deze groep burgers wordt na de algemene analyse nog nader onderzocht. Ongeveer een even groot aantal burgers (9,7%) vertelt dat het basisinkomen hen aanzet om ‘werk zoeken dat bij mij hoort’. In die samenhang kunnen ook nog een andere gedragsintentie worden genoemd, ‘op zoek gaan naar werk of een baan’ (0,7%). Vier andere categorieën van werken en activiteiten vormen de hoofdmoot van nieuw te ondernemen activiteiten: ‘vrijwilligerswerk en mantelzorg’ (17,2%), ‘maatschappelijke waarde creëren’ (14,0%), ‘studeren en opleiding volgen’ (13,8%) en ‘een onderneming starten’ (12,2%). Daarnaast kan in dit verband nog de categorie ‘dingen doen die er toe doen’ (2,1%) worden genoemd. Twee wat meer afzonderlijke categorieën, ‘niets doen of vakantie vieren’ (0,7%) en ‘reizen’ (3,5%) verwijzen naar meer ‘hedonistische’ gedragsintenties.

De drie andere hoofdcategorieën geven de volgende scores te zien: ‘zekerheid en financiën’ (36,7%), ‘persoonlijke ontwikkeling’ (25,2%) en ‘zonder zorgen en stress’ (16,2%). Categorieën die er daarbij uitspringen zijn: ‘financiële zekerheid en ruimte’ (16,7%) en ‘zekerheid en meer tijd voor mijn kinderen’ (8,5%) bij de tweede hoofdcategorie, ‘zelfontplooiing’  (6,2%), ‘vrij kunnen leven en vrijheid ervaren’ (5,5%) en ‘droom verwezenlijken/mijn hart volgen’ (4,8%) bij de derde, en ‘zonder zorgen en stress leven’ (11,7%) bij de laatste. De gedragsintenties in deze drie hoofdcategorieën kunnen worden opgevat als ‘voorwaarde scheppend’ voor participatie. Zij worden in tweederde van de gevallen ook expliciet gekoppeld aan activiteiten op het terrein van ‘werken en activiteiten’. In de andere éénderde gevallen betreft het activiteiten die vooraf gaan aan het weer actief gaan deelnemen aan de samenleving, dan wel zelf als zinvolle vorm van participatie worden opgevat.

Genoemde alternatieven voor werk

In de analyse zijn verder nog twee andere aspecten nader onderzocht. Om te beginnen is de groep die aangeeft minder te willen gaan werken (10,2%) onderzocht op de vraag of zij dan alternatieven aangeven. Dat blijkt in driekwart van de gevallen (75,4%) het geval te zijn. Dat betreft de volgende categorieën: ‘vrijwilligerswerk en mantelzorg’ (25,3%), ‘meer tijd voor mijn kinderen’ (25,3%), ‘studeren en opleiding volgen’ (20,9%), ‘maatschappelijke waarde creëren’, (17,9%) en ‘een onderneming starten’ (10,4%). Daarnaast is onderzocht in hoeverre er verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen. Uit deze laatste analyse kwamen niet echt verrassende uitkomsten. De verschillen die er zijn, liggen eigenlijk voor de hand. De belangrijkste zijn: vrouwen scoren relatief hoger op de hoofdcategorie ‘zekerheid en financiën’ en ‘minder zorgen en stress’, en relatief lager op ‘werken en activiteiten’. Dat heeft alles te maken met het feit dat binnen de veronderstelde populatie vrouwen, vaak als alleenstaande ouder, de verantwoordelijkheid dragen voor het wel en wee van kinderen. Dat versterkt het belang van de categorieën ‘zekerheid en financiën’ en ‘minder zorgen en stress’ in vergelijking tot de categorie ‘werken en activiteiten’. Binnen de hoofdcategorie ‘werken en activiteiten’ scoren vrouwen, ook dat is niet verbazingwekkend, op de categorieën ‘vrijwilligerswerk en mantelzorg’ en ‘het creëren van maatschappelijke waarde’.

Conclusies

Welke conclusies kunnen op basis van bovenstaande analyse worden getrokken met betrekking tot de gedragsintenties van burgers bij het vooruitzicht dat zij een basisinkomen krijgen?

Mensen zijn niet lui

De uitkomsten stroken in elk geval in het geheel niet met de populaire tegenwerpingen tegen het introduceren van een basisinkomen, dat het burgers lui zou maken en de lust zou ontnemen om maatschappelijk actief te zijn. Integendeel. Het verkrijgen van een basisinkomen biedt burgers blijkbaar direct en indirect veel ruimte en inspiratie om actief betrokken te blijven bij de samenleving. Meer nog, om die betrokkenheid ook naar een hoger niveau te tillen. Dat blijkt met name uit de uitkomsten in termen van ‘werken en activiteiten’. Twee derde van de burgers verwijst naar activiteiten in termen van ‘op zoek gaan naar werk of een baan’, ‘werk zoeken dat bij mij hoort’, ‘dingen doen die er toe doen’, ‘een onderneming starten’, ‘maatschappelijke waarde creëren’, ‘vrijwilligerswerk of mantelzorg doen’ en ‘studeren en een opleiding volgen’. Slechts een enkeling noemt ‘niets doen’, ‘vakantie vieren’ of ‘reizen’. Verder blijkt dat van de burgers die aangeven minder te willen gaan werken drie kwart dat werk verruilt voor andere activiteiten, zoals het starten van een onderneming, maatschappelijke waarde creëren, vrijwilligerswerk en mantelzorg, studeren en het meer tijd nemen voor het begeleiden en opvoeden van hun kinderen.

Veelkleurige beeld van maatschappelijke participatie

Verder geeft deze analyse – op basis van overeenkomst in populatie –  al enig zicht op motieven, verwachtingen en gedragsintenties van burgers die, naar het zich laat aanzien, de komende tijd deel gaan nemen aan lokale experimenten met een basisinkomen, dan wel versoepeling van de voorwaarden voor het ontvangen van een bijstandsuitkering. Die vooronderstelling levert op zijn minst twee belangrijke inzicht op voor het onderzoeken en evalueren van deze experimenten. Om te beginnen het gegeven dat begrippen als ‘maatschappelijke participatie’, dan wel ‘werken’ of ‘activiteiten’ breed, niet zozeer vanuit (traditioneel) arbeidsmarktperspectief, wetenschappelijke vooronderstellingen of vanuit de veelal gehanteerde beleidstheorie, maar liefst vanuit het perspectief van de onderzochte populatie geformuleerd dienen te worden. Dat levert een veelkleuriger en rijker beeld op dan genoemde (standaard) interpretaties. Daarnaast het inzicht dat de vraag of burgers de intentie hebben, in welke vorm dan ook, actief te worden, voor een deel ook afhankelijk zijn van andere overwegingen of voorwaarden. In deze analyse komen zij bovendrijven in termen van ‘zekerheid en financiën’, ‘minder zorgen en stress’ en ‘persoonlijke ontwikkeling’. Dat zijn aspecten die in onderzoek en evaluatie van de lokale experimenten een zeker zo belangrijke plaats dienen te krijgen. Zij zijn immers voorwaarde scheppend voor een rijkere deelname aan het maatschappelijke leven. Dat heeft niet alleen inhoudelijke implicaties, maar vraagt ook om een bredere onderzoeksopzet dan louter surveyvragen.

Of nog scherper geformuleerd: Waar het gaat om het beantwoorden van vragen over de effecten van de invoering van een basisinkomen moet het burgerperspectief als een zeker zo valide uitgangspunt worden gehanteerd als wetenschappelijk theoretische dan wel beleidstheoretische invalshoeken. En dat centraal stellen van het burgerperspectief vraagt ook om andere, vooral kwalitatieve en ‘story-telling’ onderzoeksmethodieken.

Download de korte versie

Download de volledige versie

doneervoorhetderdebasisinkomen

 

EERSTE BASISINKOMENS VAN NEDERLAND EEN FEIT

Terwijl politici en wetenschappers nog druk in debat zijn over de vraag of een onvoorwaardelijk basisinkomen wel wenselijk en haalbaar is, worden in Groningen en Eindhoven de eerste basisinkomens van Nederland al uitgereikt. Sociaal ondernemer Frans Kerver krijgt een jaar lang een onvoorwaardelijk inkomen van € 1.000 per maand. Dit geld is bij elkaar gebracht door “crowdgifting”; zo’n 450 mensen doneerden samen € 12.000 op de website van Ons Basisinkomen (www.onsbasisinkomen.nl). Tegelijkertijd zamelde econometrist en ‘ondernemend idealist’ Sjir Hoeijmakers € 25.000 in op www.maakbasisinkomenmogelijk.nl om zich twee jaar onafhankelijk aan werk voor het basisinkomen te kunnen blijven wijden – en heeft dus eigenlijk de komende tijd zelf ook een basisinkomen.

Ons Basisinkomen is een initiatief van de stichting MIES. MIES wil na Frans Kerver meer Nederlanders een basisinkomen geven. Zo’n micro-experiment moet inzicht verschaffen in wat er zou kunnen gebeuren als je een basisinkomen landelijk in zou voeren. Gaan mensen bijvoorbeeld minder werken? En als dat het geval is, wat gaan ze dan met de vrijgekomen tijd doen? Studeren, meer zorgtaken op zich nemen of, zoals tegenstanders van een basisinkomen vrezen, op de bank hangen?

Wie in aanmerking wil komen voor zo’n basisinkomen voor een jaar, kan zich op de website aanmelden. Zodra er weer € 12.000 is ingezameld, wordt er een naam uit de hoed getrokken en wordt het volgende basisinkomen uitgekeerd. Hier staat, net als bij het “echte” basisinkomen, geen enkele verplichting tegenover.

Wat Frans Kerver met zijn basisinkomen gaat doen is wel duidelijk. Het stelt hem in staat om naast zijn sociale onderneming De Tuin in de Stad ook nog tijd te steken in het werven van meer donaties voor Ons Basisinkomen. Want Frans is dan wel voorlopig de enige Nederlander met een basisinkomen, het is niet zijn bedoeling dat hij dat lang blijft.

Sjir Hoeijmakers gaat met zijn basisinkomen door met het werk dat hij nu al doet: gemeenten helpen experimenten in de richting van een basisinkomen op te zetten. Hij geeft onder meer advies, verzorgt coördinatie en lobbyt bij de landelijke politiek. Daarnaast is hij van plan een openbaar toegankelijke online collegereeks over het basisinkomen op te zetten, om daarmee voor een breed publiek de theorie en overwegingen achter het basisinkomen beschikbaar te maken.

23 mei 2015: Deel & Vermenigvuldigbijeenkomst MIES

Op zaterdag 23 mei van 13-15u organiseert MIES aan in Tuin in de Stad te Groningen een Deel & Vermenigvuldig bijeenkomst. De bedoeling is gezamenlijke krachten te bundelen en elkaar positief aan te steken om samen te werken aan acties die innovatie in economie en samenleving op gang brengen.

Naast een korte aftrap met info over de laatste nieuwtjes en activiteiten van MIES en een korte kennismaking, gaan we aan de slag met het concretiseren van acties. Want door samen dingen te DOEN kunnen we echte veranderingen op gang brengen en zichtbaar maken.

Wil je er bij zijn de 23e?

  • laat ons dat dan weten via onderstaand formulier;
  • geef in je aanmelding aan over welk thema (dat binnen de scope van MIES valt) jij enthousiast bent, en waar je iets mee wilt doen;
  • en alvast voor de toekomst: waar vind jij dat de volgende bijeenkomst (na 23 mei) van MIES plaats moet vinden?
[contact-form-7 404 "Not Found"]

Datum: Zaterdag 23 mei 2015
LocatieTuin in De Stad, Friesestraatweg 137a, Groningen
Tijd: Aanvang 13.00, einde 15.00 uur
Toegang: Op aanmelding via bovenstaand formulier

We kijken er naar uit je te ontmoeten de 23e!

Petra Veen, Marieke Peterson, Ronald Mulder, Lykle de Vries, Jan Willem Wennekes, Joop Roebroek, Frans Kerver

15 mei 2015: Onderzoeksavond Basisinkomen

Het onvoorwaardelijk basisinkomen is een eenvoudig en helder idee. Je kunt het in één zin uitleggen. Iedereen krijgt maandelijks een bedrag dat voldoende is om sober van te leven, zonder dat daar een verplichting tegenover staat en ongeacht zijn inkomen, vermogen of de samenstelling van zijn huishouden.

Maar vervolgens blijven er heel veel vragen over:

  • Hoe is het dan anders dan de bijstand?
  • Worden de salarissen dan afgeschaft?
  • Hoe zit het dan met Toeslagen, hypotheekrente-aftrek?
  • Waarvan betalen we dat dan eigenlijk?
  • Waarom denk je dat mensen dan ander gedrag gaan vertonen dan ze nu doen?
  • etc, etc…

Om antwoorden te vinden op al die vragen, organiseert MIES, samen met de Piraten Partij Groningen, een onderzoeksavond. Op die avond alle ruimte voor vragen, antwoorden en echte dialoog.  Zodat je beter begrijpt wat een Onvoorwaardelijk Basisinkomen is, en vervolgens je eigen mening erover kunt vormen. Net als de Piraten Partij Groningen, overigens. Die hebben hun standpunt ook nog niet bepaald.

Wil je komen? Geef je dan even op via de Facebook-pagina.

Datum: Vrijdag 15 mei 2015
Locatie: Tuin in De Stad, Friesestraatweg 137a, Groningen
Tijd: Aanvang 20.30, zaal open 20.00 uur
Toegang: Vrijwillige bijdrage, maximaal 80 personen

Start campagne voor OnsBasisinkomen.nl

Eerste Onvoorwaardelijke Basisinkomen door crowdfunding

MIES start zondagavond 12 april haar crowdfunding voor OnsBasisinkomen.nl. Voor 1 juni zal Frans Kerver de eerste Nederlander zijn, die een jaar lang, elke maand, 1000 euro op zijn rekening krijgt gestort. Elke volgende 12.000 euro, die daarna wordt binnengehaald, wordt verloot onder de aanmelders op OnsBasisinkomen.nl. Hiermee wordt recht gedaan aan het basisprincipe van het basisinkomen: een onvoorwaardelijke toelage, los van controle of tegenprestatie. De campagne gaat van start met de vraag: Wat zou u doen als u een basisinkomen had?

Gratis Geld op zondag 12 april

VPRO’s Tegenlicht gaat zondag in op de noodzaak voor een omslag in ons denken over sociale zekerheid. In de aflevering Gratis Geld toont Michael Bohmeyer aan dat de steun voor het basisinkomen in Duitsland aan terrein wint. De verloting van het 10e basisinkomen werd live op de WDR uitgezonden. Groningen komt ook prominent in beeld. We zien Mattias Gijsbertsen in gesprek met Guy Standing, Joop Roebroek en Jan Willen Wennekes vertellen waarom MIES aandringt op experimenten in de sociale zekerheid. Frans Kerver laat in de context van het FreeCafe op Tuinindestad zien, waarom veel mensen op zoek zijn naar nieuwe of misschien wel oude waarden als welzijn, samenkomen, geluk. Hoe verdelen we de taart zo, dat aan ieder mens recht wordt gedaan in onze samenleving. Hoe stappen we uit de ratrace, die vooral steeds meer afvallers telt. Direct aansluitend op de uitzending start MIES haar campagne.

Niet langer wachten

Natuurlijk is een maandelijkse toelage van 1000 euro/maand geen echt basisinkomen. Met OnsBasisinkomen (site en campagne) kan MIES wel de discussie aanjagen en concreet testen, hoeveel mensen (en organisaties) achter het idee staan: een reëel en leefbaar basisinkomen voor iedereen, los van controle en tegenprestatie. Iedereen kan het idee steunen, door:

  • het campagnenieuws in het eigen netwerk te verspreiden
  • te doneren op de campagnesite
  • en/of  jezelf aan te melden als volgende kandidaat.

Kijk daarvoor op de campagnepagina van de Eenprocentclub, die MIES met raad en daad bij staat: https://www.onepercentclub.com/nl/#!/projects/onsbasisinkomen

Meer info:

Website: http://www.onsbasisinkomen.nl

FaceBook: https://www.facebook.com/OnsBasisinkomen

Twitter: @OnsBasisinkomen

Gemeenten gaan aan de slag met experimenten rond de Participatiewet – verslag 27 maart 2015

Door Joop Roebroek

In het kader van ons streven het basisinkomen weer prominent op de maatschappelijke agenda te plaatsen heeft MIES begin 2015 met MOM (Maatschappelijke Ontwikkelingsmaatschappij) uit Tilburg en Sjir Hoeijmakers het initiatief genomen om samen met geïnteresseerde partners na te denken over het opzetten van gemeentelijke experimenten rond de Participatiewet. Centraal staat daarbij het streven de kaders van de Participatiewet zodanig in te richten dat deze burgers meer ruimte verschaft om op basis van kwaliteiten, talenten en wensen deel te nemen aan de samenleving.

Op 27 maart kwamen in Tilburg vertegenwoordigers van 14 gemeenten samen. Voor een enkele gemeente waren dat raadsleden, voor andere gemeenten wethouders en beleidsmedewerkers. Naast de gemeentes waren er ook vertegenwoordigers van DIVOSA (de landelijke organisatie van directeuren van sociale diensten), het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Doel van de bijeenkomst was in kaart te brengen wat er binnen de diverse gemeenten aan plannen leeft, na te gaan op welke wijze kan worden samengewerkt en enkele vervolgstappen samen gezet kunnen worden.

De ochtend is voor een deel besteed aan het in kaart brengen van de plannen die leven binnen de aanwezige gemeenten. Dat leverde een divers beeld op. Een enkele gemeente is al concreet bezig met het opzetten van experimenten of het vorm geven aan een traject dat tot experimenten dient te leiden. Andere gemeenten zijn zich aan het oriënteren op de mogelijkheden om experimenten te doen, en er zijn ook gemeenten waar de discussie nog echt in een begin stadium verkeerd. Soms wordt bij die plannen tot experimenten heel expliciet verwezen naar het basisinkomen, in andere gevallen is voor alles sprake van het wegnemen van verplichtingen en sancties binnen de bestaande kaders.

In de ochtend en een deel van de middag kwam vervolgens de onderzoekskant van de experimenten aan te orde. Algemeen kan worden gesteld dat het verstandig is de onderzoekskant van de experimenten zo veel mogelijk te coördineren. Op die manier kunnen de onderzoeksvragen op elkaar worden afgestemd en zijn er tevens getalsmatig voldoende deelnemers om gefundeerde uitspraken te kunnen doen.

Experimenten rond de Participatiewet bieden een aantal mogelijkheden tot variatie inzake de kaders van die wet. Die variatie kan aan de hand van de volgende onderzoeksvragen worden omschreven:

  1. Leidt het verminderen van voorwaarden en verplichtingen tot een hogere inzet van eigen verantwoordelijkheid en eigen regie van de zijde van burgers bij het vinden van betaald werk en verhogen van hun deelname aan de samenleving?
  2. Leidt het (tijdelijke) behoud van een deel van verworven inkomsten (boven op de uitkering), bijvoorbeeld op basis van een vlaktaks van 50 procent, tot een tot een hogere inzet van eigen verantwoordelijkheid en eigen regie van de zijde van burgers bij het vinden en bestendigen van betaald werk?
  3. Heeft een hogere uitkering – wij denken aan een verhoging van 150 tot 200 euro netto per maand – positieve effecten op tot een hogere inzet van eigen verantwoordelijkheid en eigen regie van de zijde van burgers bij het vinden van betaald werk en het verhogen van de deelname aan de samenleving, alsmede positieve effecten op de gezondheid, het welzijn en het welbevinden van burgers?
  4. Leidt het meer centraal stellen van en het creëren van ruimte voor de talenten en kwaliteiten van burgers, gekoppeld aan hun dromen, wensen en verlangens tot een hogere inzet van eigen verantwoordelijkheid en eigen regie van de zijde van burgers bij het vinden van betaald werk en het verhogen van de deelname aan de samenleving?

Twee typen onderzoek zijn nodig om deze vragen van een antwoord te voorzien. Om te beginnen kwantitatief onderzoek. Die onderzoeksopzet beantwoordt vragen inzake participatie (arbeid, vrijwilligerswerk, mantelzorg en andere maatschappelijke activiteiten), gezondheid en welzijn (zowel fysiek, als mentaal), financiën van huishoudens (inkomen, maar ook financiële problemen, zoals schulden), en sociale dynamiek (activiteiten, contacten, leefbaarheid en leefsituatie in wijk, etc.). Het voordeel van dit soort onderzoek is dat het betrouwbare, algemene uitkomsten oplevert. Uitkomsten die vooral vanuit het beleidsperspectief van (groot) belang zijn. Deze uitkomsten zijn veelal vrij algemeen van aard. Het gaat om percentages die in vergelijking tot de uitkomsten binnen de controlegroep belangrijke eerste inzichten opleveren. Toch geven deze uitkomsten nog maar weinig zicht op dieperliggende processen en samenhangen. Ook de directe beleving van deelnemers aan de experimenten wordt niet echt zichtbaar in de uitkomsten van kwantitatief onderzoek.  Daartoe is het van belang naast het kwantitatieve onderzoek ook gedegen kwalitatief onderzoek op te zetten. Dat kan op basis van diepte-interviews, verhalensessies en focusgroepgesprekken, maar kwalitatieve gegevens kunnen ook worden verzameld op basis van dagboekaantekeningen van deelnemers, videobeelden tot en met participerende observaties. Een diepgaande analyse van dat materiaal maakt het mogelijk de uitkomsten van het kwalitatieve onderzoek te verdiepen en aan te vullen. Met name rond thema’s als beleving van deelnemers, mogelijke veranderingen in waardeoriëntaties en de effecten op de sociale dynamiek.

De kracht van onderzoek zit, zeker bij deze experimenten waarbij de hele leefwereld en leefsituatie van burgers van belang is, juist in een creatieve combinatie van beide typen onderzoek.

Tijdens het laatste gedeelte van de bijeenkomst is gezamenlijk nagedacht over de vraag welke vervolgstappen genomen kunnen worden. Dat leverde twee uitkomsten op. Om te beginnen stellen MIES, Sjir Hoeijmakers en MOM brieven op naar de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid om namens de deelnemende gemeentes ruimte te vragen om te kunnen experimenteren. Daarnaast wordt besloten elkaar via de organisatoren goed op de hoogte te houden van ieders activiteiten om elkaar te ondersteunen en zoveel mogelijk coördinatie tot stand te brengen.

Bijeenkomst 27 maart 2015 - MIES, MOM, Sjir Hoeijmakers